HomeBlogMultimediaContactStatistieken

Tot zalig aandenken van Georges Vanbesien

17 mei 2016 20:06 - Behaeghe Manu

Begin 1922 werd Georges ernstig ziek, tuberculose werd vastgesteld, en op 11/3/1922 overlijd hij thuis.

Zijn medeleerlingen schreven  een uitvoerige begrafenisrede waarvan hieronder de volledige tekst staat:

Tot zalig aandenken van Georges Vanbesien
zoon van Henri en wijlen Romanie Deblauwe
geboren te Iseghem, den 8 Mei 1900 en aldaar
godvruchtig in den Heer ontslapen den 11 Maart 1922.

Student in de wijsbegeerte aan het Klein-Seminarie te Rousselare. 

Dinsdag 11, had alhier de plechtige begrafenis plaats van den Heer Joris Vanbesien, onzen stadsgenoot, student in de Wijsbegeerte aan het Klein Seminarie te Roeselare.

Tegenover den jeugdigen afgestorvene hebben de Iseghemse studenten en inzonder zijne oud-medemakkers eenen plicht van genegenheid en dank te vervullen.

Joris was een edele jongen, begaafd met een dezer schoone karakters die allen, zonder onderscheid, bemint maar ook door allen om ’t innigste bemind wordt. Zijn opgeruimdheid maakte iedereen blij; zijne liefde tot God, zijn diepe godsvrucht en rotsvast betrouwen op de H.Maagd maakten hem tot een toonbeeld onder zijne makkers: zijne geestdriftige doch doorvoelde liefde voor zijn Vlaamsche Volk, maakte anderen overtuigd en geestdriftig. 

Immers het diep verval en de achterlijkheid van zijn volk hadden hem diep aangegrepen… doch begrijpend die schoonheid en grootheid der Vlaamsche Volksziel – nu weliswaar verkracht en verdoken – streefde zijn edel gemoed met jonge geestdrift om zijn Vlaanderen groot en vrij. Geen wegen waren te lastig, geen inspanning te groot. Het zou hem worden tot een groothartig : Alles voor Vlaanderen. Daarvan getuigt; genoeg zijn studententijd.

Hij was, niettegenstaande hij onopgemerkt voorbijging, een der beste leden van den Iseghemsen Studentenbond; vooral in de moeilijke na-oorlogse omstandigheden heeft hij veel bijgedragen tot het lastige werk eener herinrichting en tot het herstel van vroegeren bloei.

Edoch zijn volk zou eerst volkomen vrij en schoon zijn als’t bij God was ! Hij zou dus priester worden om zijn Vlaanderen naar Christus te brengen. Het priesterleven, een leven van zelfvergetende, offerende liefde dit was zijn heerlijkst ideaal. “ Heilig worden, schreef hij naar een vriend, Heilig worden om anderen te heiligen en ’t volk naar God te brengen, dit wordt mijn levensdroom!” . 

Helaas in’t begin van’t schooljaar 1921-1922 werd hij onpasselijk en moest naar huis tot volledig herstel. Ook hier was hij meer om de anderen bezorgd dan om zich zelf; voor hij op zich zelf dacht, trachtte hij zijn ouders te troosten in’t lijden dat zijn ziekte hun aandeed : “ ’t Zou niet erg zijn; …’t zou niet lang duren… ’t was Gods werk …”  - O, en daarbij zou hij zeker genezen… priester worden… werken… lijden voor zijn Volk en zijn God … daartoe zou O.L. Vrouw van Lourdes hem helpen; dat was Zij hem schuldig omdat hij Haar zoo tederlijk beminde en zoo sterk op Haar hoopte. 

Voor eenige weken verergerde de kwaal… hij moest te bed blijven ; doch bleef hij voort hopen en betrouwen tegen alle hoop en betrouwen in.

Sterk geloof van een jeugdige Vlaamsche Priesterziel!  Zijn leven heeft hij geofferd : Nu geniet hij reeds van zijn kort doch offer- en lijdensvol leven bij den Heer. Wij, Vlaamsche studenten hebben een voorspreker te meer in den Hemel… ; Zijne gedachtenis diene ons tot een voorbeeld in onzen Katholieken Vlaamschen Strijd, in ons opstijgen tot ons priester-ideaal.

Aan de diepbedroefde familie onze innigste rouwbetuigingen.

Hij “ loech van liefde, loech van vreugde,
loech van louter zuiverheid,
loech in’t leven,
loech in’t sterven,
lachen zal in de eeuwigheid !” 

( G.Gezelle)

Ingezonden van wege de studenten. 

 

Midden in de druistige woeling van allerhande vermaak, zoowel ’s Zondags als op de werkdagen, is het troostend en voor ware Christene huisgezinnen opbeurend, een gebeurtenis te beleven gelijk deze van Dinsdag laatst.  Onopgemerkt ging die jongen zijn gang; en ’t meeste deel der Iseghemnaren, ware ’t niet dat ze Vader en Moeder en de familie kenden, zouden zich met dat afsterven niet meer bekommerd hebben dan met een alledaagsche gebeurtenis. En van waar dan die betooging, plechtig in haren eenvoud, indrukwekkend in hare godsdienstigheid?

Men leidde ten Grave een jeugdigen jongeling van 22 jaren, en dat is altijd droevig ; maar ’t was een jongeling die zijn leven ten besten gaf voor ’t heil der zielen, en dat is bewonderensweerdig ; ’t was één die van al die hem kenden bemind was ; en dat hebben ze willen belijden, zijne studiemakkers, onder geleide van Zeer Eerw. Heeren Kanonik Superior en Meesters, met hem hun laatsten vriendengroet in’t openbaar te komen brengen. 

Opgeleid door de Iseghemse Studenten-Vlagge, - de afgestorvene was oud-schrijver van den Studentenbond – droegen zijne makkers hen maar de kerk en zongen er de getijden en de Requiemmis, godsdienstig en broederlijk ; en ’t volk van Iseghem verstond dat het geen gewone begraving was :  ’t was alles zóó ingetogen, zóó mede lijdend,  zóó christelijk ; en bij den Uitvaart naar’t kerkhof wierd er geen woord uitgesproken. De stilte past best bij een lijk waaruit de ziel is weggevaren. 


Ze zwegen, de Studenten, en overwogen wat Gezelle zong:

’n Betrouwt uw jonkheid niet, nog uwe gezonde dagen.

Gij, Vrienden al, die mij nu helpt naar ’t kerkhof dragen.

’n Betrouwt ze niet, die, nauwelijks ’t leven ingegaan,

de dood, de zeekre dood, uit hun gedachten slaan,

en leven of zij ook niet eenmaal sterven zouden!

Die schuld behoort elk meest in zijn gedacht te houden, 

daar ze onbetaalbaar is, en slechts verdwijnen kan 

met ieders eigen dood en al ’t gevolg daarvan !...

 

En wat we zoo dikwijls met pijn aan ’t hert bestatigen, dat de Vrienden die ’t  lijk vergezellen, oneerbiedig den lijkstoet volgen en doorhunne manieren de droeve gemoedstemming der familie nog vermeerderen, dat wierd in deze begraving niet bewaarheid. Geen woord tenzij ’t gebed ; geen gerucht, tenzij den geregelden stap … naar ’t kerkhof. En onder wege, bij den indruk van wat ze zagen, voorbijgangers, nieuwsgierigen bleven stil staan, sloegen een kruis en baden. En na de gebeden op ’t kerkhof, las een zijner Vrienden een Lijkrede. We hoeve, er niet één woord bij te voegen : Ze bracht Hulde aan God, Troost aan de Familie ; en aan de welmeenende Christene Huisgezinnen van Iseghem moet ze een duurbare Lesse zijn tot diepe overweging.

 &

Diepbedroefde Familie, Goede Makkers, 

Ten derde male reeds staan we, droef te moede op den boord van een grafstee, treurend te schouwen hoe de dood weeral een vriend ontneemt aan ons liefde : een liefde die sterk was wijl ze groeien mocht te midden oorlogswee en levenslast. 

Diepbetreurde makker, wij die U kenden in den strijd, we staan om uw graf en de dood die macht heeft gehad over uw leven heeft geen macht op ons liefde, maar snoert de vriendenbanden nauwer en nauwer toe. En door uw dood komt Jesus ons een lesse spellen zoo klaar dat hij blind moet wezen die ze niet verstaat in ’t diepste van zijn gemoed, al waar het dan ook dat hij ’t niet zeggen kan.

Die lesse we zullen ze lezen en begrijpen. We zullen schouwen naar uw leven, naar uw hart en uw liefde, naar uw blijheid en uw levenslust, naar al de gaven waarmee Jezus uw blozende jeugd had versierd, al die edele gaven, geschapen om hier te werken door genade en later te glanzen in goddelijk licht voor zijn eigen glorietoon.

Één oogenblik maar schouwen we in ’t verleden. We zien U nog komen midden die droeve oorlogsjaren, dag op dag neer, uit Iseghem naar Roeselare beladen met boeken en boodschappen. We kenden u dan als den blozenden jongen, die steeds den lach op de lippen en zichzelf vergetende, gedienstigheid in ’t herte droeg, wat U eenieders genegenheid winnen mocht.

We zagen U komen door zonneschijn en door regen, door waaiende en stormende weer ; en stillekens aan in U gedijen en opschieten die schoone plant van edelmoedigheid die de Schepper uit uw ruim begaafd herte beelden wou met sterkende voedsel van last en van lijden. 

Dan kwamen bange dagen van vluchten, verlaten van huis en have met nieuwe loutering en nieuw lijden dat gelegenheid bieden zou om de ziele weer te onthechten van d’aarde, om dienstvaardigheid en opgeruimdheid te verbreeden wijl ze als wondere gaven der Voorzienigheid U steeds bijblijven mochten in alle moeilijkheden die anderen teneerdrukten.

Zoo groeide stillekens aan uw zieleleven. Weldra kiemde in U een drang naar hooger die in daden uitbersten moest. In uw heen en weer gaan naar Roeselare was in U een liefde geboren tot Godes heerlijkheden in de natuur: planten, bloemen, vogels, menschen en vooral menschen … zielen. 

Gij zaagt zoo geerne de bloemen staan en wist in uw wegen op te vangen niet alleen de schoonheid harer tintelende kleurenpracht, maar ook , als ’t Gezelle zegt : haar eenvoudig bloeme zijn en bloeien voor Gods oogen. 

Gij zelf, gij wilde : en Gij moest worden eerstdaags een bloeme , een groote schoone bloeme die bloeien zou als een geurende roos midden vele bloemen, midden de zielen die ’t mooie Vlaanderen zoo heerlijk schoon maken in Gode’s Alziende Oog. Gij droomdet van schoonheid ; en God die zich nooit verwinnen laat in edelmoedigheid kwam vrijgevig uw heerlijke droomen bevruchten met een roeping naar ’t Priesterdom. 

 &

Geachte Ouders, God zou U een priester schenken en Gij duurbare afgestorvene, ge mochten hopen eerstdaags te staan als Middelaar tusschen God en de menschen van uw lieve Vlaanderen.

Die hoop gaf U leven , maar ge waart geen werker van de laatste ure en reeds van nu hadt ge moedig hand aan ’t werk geslagen dit getuigen van U uwe Priesters wier steun gij waart in ’t werken, dit vertellen de studenten die door U werden meegesleept in blijheid en geestdrift, dit weten uw makkers die uw minzaamheid en blijgeestigheid kennen mochten en waardeeren. 

Dan plots, midden die kiemende schoonheid, kwam zoo onverwacht een nieuwe lijden neergevallen : een langdurende ziekte zou uw blozende gezondheid ondermijnen ; maar weerom zou die last U een kracht zijn om de zielen te verheffen en uw volmaaktheid te benaderen. De bloeme was al lange aan ’t botten gegaan ; maar nu zou ze volop openbloeien en geuren spreiden , die haar waardig zouden maken te worden geplukt en overgeplant in Hemelsche Oorden ; een bloem die Jesus verkoren had en wilde behouden voor zich alleen.

En terwijl ge stilaan wegkwijnen moest, bleeft ge bloem ; en uw blijheid is U bijgebleven tot den laatsten dag. Zeker, Ge wildet leven ; leven, omdat, naar uw eigen woorden, er nog zooveel goed te doen was ! Het heeft ons zoo een deugd gedaan te vernemen dat Ge toch ook met een lacht op ’t gelaat den dood zijt ingegaan, wijl God het wilde. Ja, God wilde U ; en de gebeden die wij stortten, uw ouders, uw broers, uw vrienden, die U allen wilden houden in ’t leven, heeft God niet verstooten ; maar hooger kracht eraan gegeven. Wij, kortzichtigen, vroegen levensverlenging. Hij, de Groote, de Milde, schonk levensverrijking : die groote genade waarmee gij zo kalm, zoo hoopvol, zoo blij den dood hebt aangestaard.

Vita matatur, non tollitur ; Waar God meet is ons mate te klein : ’t leven is niet weg : het is veranderd, verhoogd, onsterfelijk geworden.

Nu wij staan bij een graf, wil van ons de gedachte niet weg aan dag hooger Leven, en ons blik wordt zoo wijd en ons harte  zoo doodtrotseerend dat we roepen : Dood waar is uw zegepraal? 

Duurbare ouders, moge die gedachte U ook troosten, en voelt ge U bitter teleurgesteld, Gij die Hij ons een priester verhooptet weet dat Joris de hoogste roeping heeft gevolgd : Gods wil doen, en zich zelf in volheid aan zijn aanbiddelijke besluiten onderwerpen! Die roeping maakt zeker heilig.

Ik weet wel dat, ondanks  die zoo troostende gedachte, toch het laatste scheiden op aarde de vrienschapsbanden breken moet ; en tranen vloeien wellicht uit ons oogen. 

Maar wij hebben onzen Meester reeds genoeg leeren kennen om te weten dat zelfs als Hij ons lijden doet  Hij ons oneindig meer bemint dan wij ons zelf beminnen kunnen. Daarom gunnen wij het Hem van harte dat Hij maait wat Hij zelf heeft gezaaid, dat Hij wat Hem toebehoort zich alleen voorbehoudt.

We zijn Hem dankbaar, dan Hij U, beste Joris, ons als voorbeeld heeft gegeven om voortaan met vernieuwden moed de edele taak, door uw afsterven verzwaard, weer op te nemen ; en met het machtige wapen van werken en bidden dat uw stervende hand is ontvallen ons den weg te banen naar het grootsche Priesterschap. 

De oogst is groot en weer is er een  werker min in den wijngaard des Heeren ; maar we beloven uwe plaats te zullen innemen!

Dit zal ons dankbaarheid zijn die we uiten zullen in vele en vurige gebeden die onzen betreurden Vriend in zijn glanzende hemelvaart volgen zullen. 

Hij ruste in vrede !


(Uittreksel van het economaat klein seminarie, 1922)
Could not instantiate mail function.